Zoals de interpunctie de polsslag is van het proza, zo is de alinea de ademhaling.
Gerard Reve
Trechterstructuur; gebouw van Slowaakse radio in Bratislava (Foto: Jiří Sedláček; Wikipedia)
Het is voor de meeste lezers en schrijvers zo vanzelfsprekend dat we lang geaarzeld hebben om iets over alinea-indeling te schrijven. Maar bij het verzorgen van de eindredactie van medisch-wetenschappelijke teksten viel het ons steeds weer op: auteurs hebben meestal goed nagedacht over een logische opbouw en indeling van hun tekst, maar de alinea’s zijn vaak veel te lang.
Dat is jammer, want met een overzichtelijke alinea-indeling en goed gekozen tussenkopjes helpt u uw lezer gemakkelijker door uw tekst en ziet de ‘scannende’ lezer veel sneller waar de tekst over gaat. Daarom is het ook goed om de samenvatting te structureren. Bedenk bovendien dat veel lezers uw artikel alleen online bekijken; dan zijn lange lappen ononderbroken tekst al helemaal ongewenst.
Wij besteden hier veel aandacht aan en zorgen alsnog voor een overzichtelijke indeling. In dit artikel geven we adviezen over tekstopbouw: werk vanaf het begin met een logische en overzichtelijke tekststructuur, inclusief alinea’s. Om met Gerard Reve te spreken: zorg dat uw tekst ademt. Hans Teeuwen: ‘Druk je wel eens op enter?‘
Hoe het niet moet
Eerst een voorbeeld ‘uit de oude doos’ van het NTvG. De alinea begint op de vorige pagina:
‘Vele onderzoekers brengen waardevolle gezichtspunten op het gebied van de theoretische psychopathologie. Jelgersma ontwerpt een theorie van de kortsluiting (1911), van het gevoelsleven (1916), van de pathologische projectie (1925), van de wekdroom (1922). E.D. Wiersma, uitgaand van zijn overtuiging, dat de materiële en …’
Hele pagina zonder alinea-indeling; dit voorbeeld komt uit een artikel van de Leidse hoogleraar Psychiatrie Carp (Ned Tijdschr Geneeskd 1951; 95: 1342-9.)
Hoe het wél moet
Dit voorbeeld uit 1951 toont hoe het niet moet: een alinea van meer dan een hele pagina. Weinig ademhaling, om met Reve te spreken. De auteur geeft op deze pagina een overzicht van Groningse onderzoekers en wat ze hebben bijgedragen aan theoretische inzichten in de psychiatrische ziekteleer. Een veel betere presentatie voor dit gedeelte is: enkele korte alinea’s als introductie, gevolgd door een opsomming van de verschillende onderzoekers, met vetgedrukte namen en gemarkeerd met bulletpoints. Veel overzichtelijker:
Auteurs hebben het nog steeds moeilijk met het afbakenen van alinea’s. Bijvoorbeeld een essay met in totaal 12 alinea’s, op een tekst (zonder de literatuurlijst etc.) van ruim 1900 woorden. Gemiddeld was een alinea dus 160 woorden lang (een halve pagina). De eerste alinea was een A4’tje vol, zoals in het NTvG in 1951. Of de complete beschouwing in een onderzoeksartikel van anderhalf A4’tje (500 woorden) in één alinea, of een ziektegeschiedenis van bijna 700 woorden in 2 alinea’s. Zo geeft u de lezer niet het overzicht dat deze graag wil.
Advies: vragen…
Heldere structuren? (foto Ricardo Liberato: alle piramides van Gizeh) via Wikimedia Commons
Alle schrijfadviseurs raden aan om te begínnen met een goede alinea-indeling. Dus niet achteraf structuur en indeling aanbrengen. De Taaladviesdienst: ‘U moet dus nooit een eerste versie schrijven zonder alinea’s en die dan pas in de laatste fase aanbrengen!‘
De antwoorden op al die vragen en subvragen vormen de basis voor uw alinea’s. Streef daarbij naar een optimale lengte van uw alinea’s: een hele pagina is duidelijk te veel, maar één regel is weer wat kort. Hierover zegt de Taaladviesdienst: een goede lengte is ongeveer ’10 centimeter’ tekst (de verticale afstand tussen twee alineagrenzen). Bij moeilijker tekstsoorten zou de alinea iets langer mogen worden en bij gemakkelijke teksten zou deze nog korter moeten blijven.
Wij vinden dat de auteurs hun lezers niet moet overvragen op dit punt: hoe professioneel uw lezers ook zijn, hoe ingewikkeld een beschouwing of een onderzoeksartikel ook is, álle lezers vinden het prettig als de tekst grafisch goed ingedeeld is en de schrijvers (en de redactie) hun betoog helder structureren.
Structuur van alinea
De alinea zelf kunt u op verschillende manieren opbouwen. Erg duidelijk is om de kernzin als opening te gebruiken, gevolgd door een toelichting. Dit noemt men een piramideopbouw. Een goed voorbeeld hiervan is de bekende zin: “Dit onderzoek heeft een aantal beperkingen” als introductie van de bespreking van de beperkingen van het eigen onderzoek. In het algemeen geldt dat door de kernzin in de eerste zin te geven, de lezer snel kan zien waar de tekst over gaat. U kunt de lezer nog verder op weg helpen door met enkele signaalwoorden aan te geven wat de functie van de alinea is: ‘een goed bijvoorbeeld’, ‘nadere onderbouwing’, ‘een vraag hierbij’, ‘kritiek op deze methode’, enzovoort.
Ook is het mogelijk om eerst argumenten of toelichting te geven en dan de kern in de slotzin te verwerken (omschreven als ‘trechterstructuur). Een geslaagd voorbeeld ontlenen we aan een boekbespreking van Ad Dunning, over Cees Renckens’ Kwakzalvers op kaliloog in het NTvG:
“In dit tijdschrift is regelmatig gerapporteerd dat 1 op de 4 patiënten met ernstige ziekten als kanker, aids en neurologische aandoeningen ook een alternatieve hulpverlener raadplegen, al was het maar om niet passief aan ziekte en behandeling te zijn uitgeleverd en om zelf een zin in ziekte en een eigen bijdrage aan beterschap te kunnen leveren. Ook gebruiken gezonde mensen in dezelfde mate, in een land vol overgewicht, hun voedingssupplementen van vitaminen, mineralen, knoflook, ginseng en zeewier alsof wij in een land vol scheurbuik, beri-beri of nachtblindheid leven. Rationele geneeskunde wordt steeds meer door de schaduw van irrationeel denken gevolgd en geniet daarbij een brede maatschappelijke aanvaarding.”
Slot
De meeste auteurs van artikelen die wij bewerken, hebben goed over de inhoud van de verschillende onderdelen nagedacht. In onderzoeksartikelen volgen de auteurs uiteraard de IMRAD-structuur: inleiding (waarom bent u hiermee begonnen?), methode (wat heeft u gedaan?), resultaten (wat heeft u gevonden?) en discussie (wat betekent dat allemaal?). Daarom is het een gemiste kans als u op het niveau van alinea’s géén duidelijke structuur aanbrengt. We raden daarom aan om wél zelf een goede alinea-indeling te maken. Ook is het goed om met subkopjes te werken (ook weer niet te royaal; niet iedere alinea hoeft een tussenkopje te krijgen).
Concluderend kunnen we stellen… Sorry, we concluderen: werk met tekststructuur, werk met een logische alinea-indeling, gebruik tussenkopjes en denk aan de ademhaling van Gerard Reve of aan de enters Hans Teeuwen. Uw lezers zullen opgelucht ademhalen.
Op 23 april overleed prof. dr. John Overbeke, die vanaf 1984 vele jaren zijn talenten inzette voor beter medisch-wetenschappelijk publiceren bij het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. John was daarvoor de juiste man op de juiste plaats: hij was een gedreven, nauwgezet en actief arts-redacteur en een betrokken, humoristische en trouwe collega en vriend. Vanaf 1 februari 1990, na een sollicitatiegesprek bij de heren Jacques Lockefeer en Theo Klück, mocht ik als redacteur komen werken bij het Tijdschrift. In dit artikel kijk ik terug op wat ik daar van onder anderen John leerde en welke resultaten hij bereikte bij de verbetering van de kwaliteit van medische vakbladen in het algemeen en van het NTvG in het bijzonder. Vooral de aandacht trokken de vele onderzoeken naar de kwaliteit en effecten van publiceren in het Tijdschrift.
John was opgeleid als chirurg en had in het St. Lucas Ziekenhuis gewerkt als chef de clinique. Sport en vooral voetbal hadden zijn grote belangstelling en hij was actief als medisch adviseur bij Ajax. Als je “telefoondienst” had (medewerkers van het redactiekantoor moesten bij toerbeurt de telefooncentrale bemensen in de middagpauze), kreeg je regelmatig telefoon van bekende trainers.
John spreekt dankwoord uit bij ontvangen van de Donderspenning, bij het 150-jarig jubileum van het NTvG in het Concertgebouw in Amsterdam, 6 januari 2007.
Verder regelde John de kantoorautomatisering op het redactiekantoor, met het prettige systeem van Wang. Toen het Tijdschrift meer ruimte nodig had en vanuit de Jan Luykenstraat ging verhuizen naar de Johannes Vermeerstraat, begeleidde John de renovatie/verbouwing van het pand. In samenwerking met architect en binnenhuisarchitect leidde dat tot een stijlvol geheel. Behalve de huisvesting werden ook internationale contacten goed onderhouden. Het NTvG werd lid van het International Committee of Medical Journal Editors (ICMJE), dat met zijn richtlijnen voor publiceren veel bijdroeg aan de verbetering van de biomedische publicatiepraktijk. Later was John tevens lid van de World Association of Medical Editors (WAME), waarvan hij ook voorzitter is geweest.
Na het betrekken van de nieuwe “zetel der vereniging” stimuleerde John de redacteuren om deel te nemen aan de activiteiten van WERK, de Wetenschappelijke-Eindredacteurenkring. Deze zorgde voor bijscholing en enthousiaste bijeenkomsten. Op het NTvG verzorgde de redactie verder halfjaarlijks een schrijfcursus voor artsen in opleiding tot specialist en op onregelmatige basis was er de cursus Wetenschappelijk schrijven in het Engels door John Kirkman en collega’s.
Samen met John hield ik een lezing over medische terminologie voor medisch bibliothecarissen, in de Erasmus Universiteit Rotterdam. John vertelde over de verdere standaardisering van termen met oog op artikelontsluiting en ik legde uit hoe de redacteuren bij het NTvG omgingen met medische spelling. Uiteraard hadden we de presentatie goed gerepeteerd. Een geslaagd optreden en een gezellig uitje. Nadat ik met arts-stagiair Shailindra Mahesh had bijgedragen aan een van de bibliometrische NTvG-onderzoeken, gingen we verder met schrijven van referaten en nieuwsberichten. John juichte dat toe.
John was niet vreemd van perfectionisme en hij had zijn documentatie dan ook altijd keurig op orde; zijn hele kamer straalde orde en netheid uit. “Het zal wel op de databank liggen” was een gevleugeld gezegde op het redactiekantoor: de designbank op Johns kamer die vol mappen, ordners en documentatie lag. De medewerkers waardeerden John om zijn humor en zijn grote persoonlijke betrokkenheid. John bleef trouw aan zijn mensen: jaren nadat we bij het Tijdschrift vertrokken waren, hielden wij goed mailcontact en zagen elkaar regelmatig in Grand Café Eerste Klas in Amsterdam.
Bibliometrie
John maakte, in samenwerking met andere uitvoerend hoofdredacteuren zoals Jacques Lockefeer en Peter Hart en wetenschappelijk eindredacteur Henk Walvoort, veel werk van bibliometrisch onderzoek naar medisch-wetenschappelijk publiceren. Dit was een mooie uitdaging voor de arts-stagiairs die de hoofdredactie telkens een halfjaar kwamen ondersteunen. In totaal publiceerden zij (tot 2006) zo’n 26 onderzoeksartikelen. Mede dankzij zijn inzet voor en inbreng bij deze publicaties werd John in 2000 benoemd tot hoogleraar Medisch-wetenschappelijke verslaglegging aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Het Tijdschrift kon op deze manier het belang van publiceren in Nederlandse wetenschappelijke tijdschriften met een extern beoordelingssysteem tijdens een Tijdschriftconferentie met evidence onderstrepen. Ook in andere artikelen benadrukten o.a. Bouter en Knottnerus het belang van publiceren in het Nederlands. Ik bespreek de opvallendste onderzoeken.
John tijdens uitspreken van zijn inaugurele rede (Wie wil blijven, moet schrijven. Medisch-wetenschappelijk publiceren: uitdaging of verplichting?) bij het aanvaarden van de bijzondere leerstoel aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, 16 juni 2000 (foto uit De derde vijftig, jubileumuitgave van het NTvG).
Kwaliteit peerreview en redactionele bewerking
Een van de opvallendste onderzoeken was gericht op de kwaliteit van de peerreview en de redactionele bewerking van onderzoeksartikelen in het NTvG. Dit onderzoek werd eerst in The Lancet gepubliceerd. Eerste auteur Jean-Pierre Pierie met Walvoort en Overbeke benaderden 100 (aankomende) artsen om drie versies van in totaal 50 onderzoeksartikelen te beoordelen: het aangeboden manuscript, het voor publicatie geaccepteerde artikel (na peerreview) en het uiteindelijk gepubliceerde artikel (na redactionele bewerking). De beoordelaars (25 studenten, 25 basisartsen, 25 huisartsen en 25 specialisten) kregen voor hun deelname een boekenbon (hoofdredacteur Ad Dunning bij de presentatie van het onderzoek: “Het duurste onderzoek ooit door een arts-stagiair op het redactiekantoor uitgevoerd.”) De resultaten waren erg positief voor de referenten en het redactieteam. In de peerreviewfase verbeterde volgens de scores van de beoordelaars de kwaliteit van 14 van de 23 onderdelen (61%) significant, waarbij vooral de algehele verslaglegging en de algemeen-medische waarde verbeterden. De redactionele bewerking gaf verbetering van 11 van de 16 onderdelen (69%), waarbij de stijl (p = 0,0001) en de leesbaarheid (p = 0,004) sterk verbeterden. Ad Dunning: “Ja Martin, jij lacht hierom, maar er zijn maar weinig mensen die kunnen zeggen dat statistisch significant is aangetoond dat hun werk zinvol is.”
Cees Kan, Lockefeer en Overbeke beschreven dat het afwijzingspercentage van aangeboden artikelen in 1990 38% was. De grootste kans op aanvaarding hadden medisch specialisten en auteurs uit universitaire centra; in 1997 was dat percentage 36%. Eerder zagen Harry Koene en Overbeke dat van de manuscripten die door het NTvG werden afgewezen, 60% later elders werd gepubliceerd.
Martha Tjon Fo Sang als eerste auteur keek samen met Overbeke en Lockefeer naar de kwaliteit van de peerreview. Zij gingen voor 60 onderzoeksartikelen na hoe referenten deze beoordeelden. Elk artikel werd ook naar een tweede adviseur met dezelfde deskundigheid gestuurd. Aan de hand van in totaal 16 kwaliteitselementen beoordeelde de hoofdredactie de manuscripten ook zelf. Vervolgens vergeleken de auteurs alle adviezen met deze beoordeling.
De adviseurs van het NTvG beantwoordden in dit onderzoek in afnemende frequentie vragen van de hoofdredactie over de volgende onderwerpen: geschiktheid voor publicatie, praktisch (wetenschappelijk) belang, illustraties, tabellen, methodologie, lengte van het artikel en literatuurverwijzingen. Verder gingen zij in hun advies in op aspecten van een tweede lijst, in afnemende frequentie: presentatie van de resultaten, opzet van het onderzoek, validiteit van de conclusie(s), doelstelling, methode, onderzoeksgroep(en), leesbaarheid van het manuscript, duidelijkheid van de samenvatting en lay-out daarvan zoals het NTvG die wenst (gestructureerde samenvatting). De auteurs concludeerden dat de adviseurs van de redactie slechts een gering deel van de gebreken in manuscripten over het hoofd hadden gezien.
In een overzichtsartikel hielden Bouke de Jong en Overbeke een enquête onder 43 (oud-)redacteuren en 34 externe adviseurs van de hoofdredactie. Uit deze enquête bleek dat respondenten de meeste factoren die de subjectiviteit bevorderen van weinig invloed op hun oordeel achtten. In deze enquête werden slechts hun meningen getoetst, niet hun werkwijze. De referenten besteedden gemiddeld 2,1 (1,1-4,2) uur aan het beoordelen van één artikel. Van de 73 referenten beoordeelden 66 tevens artikelen voor gemiddeld 4 (1-25) andere tijdschriften.
Peerreview ná publicatie
Niet onvermeld mag blijven het onderzoek naar ingezonden brieven met Shailindra Mahesh als eerste auteur, waaraan ik meedeed als tweede auteur, met Walvoort en Overbeke. Uiteraard voldeed ik aan alle criteria voor auteurschap (zoals later onderzocht door eerste auteur Wendela Hoen) en we zorgden voor een gestructureerde samenvatting. Henk Walvoort bewees de waarde van een eindredacteur als medeauteur door de beschouwing tot leesbare proporties terug te brengen. Het idee van dit onderzoek was dat ingezonden brieven te beschouwen zijn als een vorm van peerreview ná publicatie. Bij onze analyse van 196 in één jaar verschenen ingezonden brieven (die in die periode ook nog geredigeerd werden voor ze in het papieren nummer werden afgedrukt) bleek dat de schrijvers in 8 gevallen fouten in een artikel in het Tijdschrift hadden ontdekt; 6 maal had dit publicatie van een verbetering tot gevolg.
John leefde mee met de debuterende auteurs toen deze publicatie verscheen: “Spannend hé, benieuwd of er ingezonden brieven op zullen komen.”
Auteurschap
Op het onderzoek naar auteurschap van Wendela Hoen e.a. reageerden 352 auteurs. De 5 positiefst beantwoorde vragen betroffen de toen geldende ICMJE-criteria: 86% van de auteurs antwoordde de ingezonden versie kritisch gelezen te hebben, 85% keurde de te publiceren versie goed, 75% was betrokken bij de opzet van het onderzoek, 64% bij het bedenken van het onderzoek en 63% bij het (her)schrijven van het artikel; 1% meldde geen enkele bijdrage te hebben geleverd. Gemiddeld gaven auteurs zichzelf op 2 vragen méér een positieve score dan hun medeauteurs hun gaven. 64% voldeed aan de ICMJE-criteria, terwijl 60% deze criteria niet expliciet kende. Respondenten klaagden erover dat klinisch werk niet met een auteurschap wordt beloond. De conclusie was dat de richtlijnen voor auteurschap onvoldoende bekend waren. In de praktijk werd er wel goed aan voldaan. Ze hielpen niet bij het vaststellen van de auteursvolgorde.
Rozemarijn van Duursen onderzocht samen met Hart en Overbeke het percentage vrouwelijke artsen die publiceren in het NTvG (1948-1998). Dit artikel verscheen in 2000, toen was het percentage geregistreerde vrouwelijke artsen 37%, en in 1998 was 57% van de artsen in opleiding tot specialist van het vrouwelijk geslacht.
In de eerste 4 onderzochte jaargangen (1948, 1958, 1968 en 1978) was 3-5% van het totaal aantal auteurs van het vrouwelijk geslacht; dit steeg naar 10% in 1988 en naar 21% in 1998. Van het totale aantal artsen was het percentage vrouwelijke artsen die per jaargang bijdroegen aan minimaal één artikel in 1948 en 1958 0,7% (resp. 5 en 9 auteurs); dit steeg naar 1,4% (211 auteurs) in 1998. Het percentage mannelijke artsen die per jaargang minimaal één artikel publiceerden, schommelde in 1958-1998 tussen de 2,4% (471 auteurs) en 3,1% (325 auteurs). Het gemiddeld aantal auteurs per artikel nam toe van 1,2 in 1948 naar 3,3 in 1998.
Van Duursen en collega’s concludeerden dat het aantal vrouwelijke auteurs geleidelijk steeg in de afgelopen 50 jaar. Het percentage vrouwelijke artsen die bijdroegen aan ten minste één artikel in het NTvG verdubbelde in de onderzochte jaargangen, terwijl het percentage mannelijke artsen min of meer hetzelfde bleef. Ze stellen dat: “vrouwelijke artsen ook in Nederland bezig [lijken] te zijn aan een inhaalrace op wetenschappelijk gebied.”
Naarmate succesvolle Nederlandse medisch-wetenschappelijk onderzoekers hoger scoorden in de internationale tijdschriften ontstond de vrees dat deze groep minder in het Tijdschrift zou publiceren. Uit het onderzoek van twee artsen-stagiairs, Jacobien Veenemans en John Hoogeveen, en Overbeke, bleek dat niet het geval te zijn. Een duidelijke meerderheid van veelschrijvende auteurs van artikelen in hoog geciteerde tijdschriften leverde ook bijdragen aan het NTvG. Verder was 77% van 87 eerste auteurs van oorspronkelijke stukken in het NTvG (mede)auteur van ten minste 1 internationale publicatie. De auteurs concludeerden: “Veelschrijvende auteurs van artikelen in hooggeciteerde internationale tijdschriften schreven ook artikelen in het NTvG, en omgekeerd schreven auteurs van NTvG-artikelen ook artikelen in internationale tijdschriften.”
John bij het 150-jarig jubileum van het NTvG.
Dubbelpublicaties
Het onderzoek met Hans Barnard als eerste auteur naar dubbelpublicaties verdient de hoofdprijs voor de spannendste slotzin: ‘Als ook effect van dit voorstel uitblijft, kan misschien veroordeling van frauderende auteurs tot het vuurpeloton, zoals in 1916 de Amerikaanse legerarts in Engelse dienst James Shearer overkwam, heroverwogen worden (overigens werd die straf niet ten uitvoer gebracht).’
Barnard en Overbeke vonden dat van de maar liefst 172 onderzoeksartikelen die het NTvG destijds in 1 jaar publiceerde, er 23 eerder in een ander tijdschrift gepubliceerd waren; in 14 gevallen hadden de auteurs dit niet gemeld bij het NTvG (niet-reglementaire dubbelpublicatie, wetenschappelijk een ernstige zonde). Barnard werkt nu als archeologisch onderzoeker aan de universiteit van Californië, en verblijdde de redactie vaak met spannende reisbrieven uit o.a. Egypte.
In 1999 werd dit onderzoek herhaald: van de 148 onderzoeksartikelen die in 1996 verschenen in het NTvG, waren er 23 eerder elders gepubliceerd. Bij 10 gebeurde dit zonder vermelding (onreglementaire dubbelpublicatie). De auteurs concludeerden: “Vergelijking van dit meldingsgedrag met dat van [Barnard en Overbeke] leerde dat het aandeel correct gemelde dubbelpublicaties was toegenomen van 22 naar 73%.”
Noot van de schrijver: er is niets tegen gemelde/gevraagde dubbelpublicatie. Het vertalen en aanpassen van een artikel voor Nederlandse artsen kan zeer nuttig zijn, en redacties hebben hiertegen geen enkel bezwaar. Ook vallen de indrukwekkende aantallen onderzoeksartikelen op; dit was duidelijk een bloeiperiode van het Tijdschrift. In het afgelopen jaar (april 2020 tot mei 2021) verschenen 37 onderzoeksartikelen in het NTvG, waarvan 10 gemelde dubbelpublicaties
Referenties en kwaliteit
Referenties in te publiceren artikelen kregen speciale aandacht bij het Tijdschrift. Toen ik begon bij het Tijdschrift controleerde kopijvoorbereider Margreet Brilman alle referenties aan de hand van de papieren uitgave van de Index Medicus: per jaargang 6 tot 10 dikke boeken, waarin je in de index de auteurs kon opzoeken, waarna je in de hoofdtekst de volledige referentie kon vinden. Margreet paste deze dan zo nodig aan volgens de regels. Toen nog geen PubMed, EndNote, Mendeley of Zotero.
Eerste auteur Van Ieperen deed met Overbeke en Hart een onderzoek naar onderzoeksartikelen in de periode 1949-1999. In 1949 ontbrak bij 53% een beschrijving van de toegepaste methoden, in 1959 bij 44% en in 1999 was dat slechts bij 2% het geval. De meeste onderzoeken met een methodebeschrijving waren retrospectief van opzet; het percentage prospectieve onderzoeken kwam nooit boven de 25. In 1959 waren er in 84% van de artikelen 1 tot 2 auteurs per artikel, in 1999 in 53% van de gevallen 5 of meer, met een maximum van 16. Medisch studenten waren in 1959 nog geen coauteur, maar in 1999 bij 13% van de artikelen. Gerandomiseerd en prospectief onderzoek was vooral afkomstig uit universitaire afdelingen, het retrospectieve uit algemene ziekenhuizen.
Eerste auteur Sjoerd Hobma controleerde samen met Overbeke de kwaliteit van referenties in aangeboden en gepubliceerde onderzoeksartikelen. Bij de aangeboden artikelen zaten in 70 van de verwijzingen één of meer fouten. Van de gepubliceerde verwijzingen was 31 niet geheel correct. Ernstiger was dat Hobma en Overbeke vonden dat bij 1 op de 3 artikelen sprake was van inhoudelijk onjuist citeren: 5 maal werd een kleine fout gevonden, 16 maal een enigszins misleidende fout en 12 maal werd de informatie niet gevonden of bleek deze wezenlijk te verschillen van die in het geciteerde artikel. Als voorbeeld van een ernstig misleidende fout noemen de auteurs: “Anderen vonden eveneens dat (…) de vrije insulinespiegels, (…).” In het geciteerde artikel zijn echter geen vrije insulinespiegels maar C-peptide-waarden gemeten.
Effecten van publicaties
Andere interessante zaken waar de redactie erg benieuwd naar was, betroffen de aandacht die publicaties in het NTvG kregen in kranten, hoeveel effect ze hebben op de klinische praktijk en hoeveel respons auteurs krijgen op hun artikel. Bianca van Maldegem schreef als eerste auteur drie artikelen hierover.
Uit een enquête onder auteurs die in 1994 een bijdrage hadden geleverd, bleek dat vrijwel alle artikelen (n = 165) effect hadden gehad, zoals benadering van de auteurs door lezers (97%), uitnodigingen voor voordrachten (40%), gebruik van gegevens door anderen (38%), patiëntverwijzingen en plannen voor verder onderzoek (33%). Op 20% volgde een ingezonden brief en 14% van de auteurs kreeg vragen van de pers.
In een tweede artikel keek dezelfde auteur naar het effect van drie klinische lessen met een specifieke boodschap. Bij 2 klinische lessen was geen invloed te vinden (mogelijk door ontbreken van gegevens), maar bij de derde was er een significante toename van het aantal aanvragen (van 50 naar 90 in de 3 maanden na de publicatie).
Op de vraag: “Staan we in de krant?” probeerden Van Maldegem en Overbeke antwoord te geven in een derde artikel. Hiervoor gebruikten zij gedurende 6 maanden een knipselkrant van het ministerie van VWS (die volgens een ingezonden brief van journalist Wim Köhler geen 100% bereik heeft). Ze vonden in totaal 34 berichten naar aanleiding van 27 artikelen, waarvan 21 over publicaties uit The New England Journal of Medicine, en 15 uit het NTvG. Daarbij kwamen kanker en aids het meest aan bod. Belangrijk voor het NTvG was dat redacties ook gebruik bleken te maken van Nederlandstalige tijdschriften zoals het NTvG.
John als promotor
Als hoogleraar begeleidde John de promotie van Arjen Hoogendam, die het proces van wetenschappelijk publiceren van de andere kant benaderde: van de ‘eindgebruiker’, de arts die met een patiënt in de spreekkamer snel de laatste stand van zaken op PubMed probeert te achterhalen. De bevindingen van Hoogendam in zijn proefschrift Evidence-based searching at the point of care zijn zeer relevant voor de praktijk. We volstaan hier met lezing van de Nederlandstalige samenvatting (vanaf pag. 148) van harte aan te bevelen.
Uit al deze publicaties moge duidelijk zijn dat John grote betekenis heeft gehad voor het Tijdschrift en voor medisch-wetenschappelijk publiceren in Nederland. Ook na zijn pensionering bleef John de ontwikkelingen op dit bijzondere gebied nauwgezet volgen en wisten de media hem vaak te vinden. We missen in hem een markante persoonlijkheid, een gedreven vakman en een goede en bovenal trouwe vriend.
Wij gebruiken cookies om onze website en onze service te optimaliseren.
Functionele cookies
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.